Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver willen komen, dat het waarlijk Paschen was, dat waarlijk even dat wonderlijke licht om ons heen en over ons scheen, zóó, dat wij daardoor toch nooit meer heelemaal en volslagen droevig zouden kunnen worden.

Laat ik me eens even voorstellen — voorzoover dat mogelijk is — dat wij Jezus wel eens van nabij gezien en gehoord hadden, zooals Hij was tusschen de menschen. Wij zouden van Hem genoten hebben: iemand zoo vrij, zoo midden in de dingen en tegelijk zoo volkomen er boven, iemand zoo fijn en zoo raak in zijn greep en zoo eenvoudig tegelijk, iemand met zoo n wonderlijke kracht en zonder eenig geweld, met zulk een volkomen rust en toch zoo innig bewogen. Wij zouden van Hem gehouden hebben, — natuurlijk op een afstand; discipels worden voorzichtige Hollanders maar zoo niet, daar moet men de hartstocht van een Jood voor hebben; maar wij zouden toch bewonderend van Hem gehouden hebben.

En nu denk ik mij, dat ik Hem had moeten zien sterven en had moeten hooren sterven met den kreet: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Had Hij nog maar gezegd: „Mijn God, Mijn God, omdat Gij Mij niet verlaat, overwin ik alles".

Maar dat in het uiterste oogenblik de deur van Zijn binnenste zich opent en wij in het duister zien! Had Hij nog maar gezwegen! Om den nacht van de wereld te zien, zooals die rondom Hem is en alles met zijn duisternis overweldigt, dat is al erg genoeg. Waarom straalt en vlamt het niet vanuit Zijn binnenste? Waarom moet het ergste gebeuren; dat de nacht van binnen ook openbaar wordt en er ter wereld dan ook geen enkele plek meer is, geen enkele mogelijkheid denkbaar, waar het licht is en licht blijft? Op dat oogenblik zouden onze oogen en onze ooren

Sluiten