Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ons is uit de oudheid een aandoenlijke klacht bekend, die geheel op dit terrein thuis behoort: „och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat gij nederkwaamt". Het is de roep van de ziel, die dreigt te gaan twijfelen. Het is ook zoo moeilijk stil te zijn en te vertrouwen. De omstandigheden zijn zoo verwarrend en 't ergste is, dat die ziel God niet begrijpt. Als God er is, waarom grijpt Hij niet in, waarom spreekt Hij niet één woord om 't alles anders te maken. De mensch gevoelt, als God maar dicht bij hem was, naast hem stond, zou het nog wel te dragen zijn. — Maar God is zoo ver, de hemel zoo strak. O! God, zoo klaagt de wankelende: scheur den hemel en kom neder.

* ★ *

En God heeft den hemel gescheurd.

Daaraan denken wij op den Kerstdag; dan blikken wij omhoog en vangen gretig op de stralende bundels van Gods genadelicht.

De hemel is gescheurd. God heeft zich in Christus betoond als de God van nabij. Jezus — Emmanuël — God met ons. —

De Zoon des menschen is uit den hemel op aarde gekomen en nu is er een band gelegd tusschen die beide, Jezus noemt zichzelf: ,,de weg". „Niemand", zeide Hij „komt tot den Vader dan door Mij".

Waarschijnlijk omdat wij deze dingen zoo dikwijls gehoord hebben en de feiten als feiten kennen, meenen wij, dat wij 't wel kunnen begrijpen. Wij knielen gemakkelijk bij de kribbe. — Toch is dit alles zoo groot, dat 't ons denken ver te boven gaat.

God heeft den hemel gescheurd.

Sluiten