Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERLICHTINGSTABEL.

Kolom II. Kolom III. Kolom IV. Kolom V. Kolom VI. Kolom VII.

3 , » Bakfietsen en rijwielen .2 Motorrijtuigen op meer dan twee wielen. Motor- Aanhangwagens. Rijwielen. met zij- of achterspan- Wagens. tweewielers. wagen.

34. Aan de achterzijde van het voertuig mag 34. Als in kolom II.

pq . een achterwaarts wit licht uitstralende O lantaarn worden gevoerd, mits daarvan

de schakeling zoodanig is ingericht, dat §j w die lantaarn slechts kan branden, wanÜ neer de versnelling voor achteruitrijden

is ingeschakeld.

g 35. Motorrijtuigen, gebezigd voor het on§ g' derhouden van autobusdiensten, mogen g | als onderscheidingsteeken een transparant t>|> voeren met witte letters op blauw of g § zwarten achtergrond, of blauwe of zwarte

W letters op witten achtergrond. j

36. Een motorrijtuig mag, behoudens bij 36. Als in kolom het geven van een knippersignaal aan II.

de voorzijde niet een verblindende verlichting voeren voor zoover:

a. de weg is gelegen binnen een bebouwde kom ter plaatse waar deze door kunstlicht verlicht is;

Ü b. de weg in verband met den aard van

§ zijn kunstverlichting door Onzen

H Minister is aangewezen als een weg

K waarop met beperkte verlichting ge-

y reden moet worden en zulks aan de

J weggebruikers kenbaar is gemaakt

door middel van een kenteeken, be> staande uit het opschrift „stads-

w lichten", dat bij nacht duidelijk

Q zichtbaar moet zijn; is een motor-

£ rijtuig van stadslichten voorzien, dan

® mag het in het bedoeld geval aan de

g voorzijde geen andere dan deze lich-

M ten voeren;

d c. het motorrijtuig stilstaat;

& d. het motorrijtuig een ander voertuig

W of een rij- of trekdier tegemoet komt

^ van het oogenblik, dat dit zich bin¬

nen de gerichte stralenbundels van de lantaarns van het motorrijtuig bevindt, tot het oogenblik waarop een

ontmoeting heeft plaats gehad'). i) i)