Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dien Zaterdag vergezelde zijn vrouw hem naar het Gare du Nord. Bakowski dacht aan dat andere station, waar hij zich had voorgenomen alles aan zijn vrouw te belijden. Hij had een afkeer van zichzelf, omdat hij het tot nu toe nog niet gedaan had. Maar hoe zou zij het opnemen . . . . ? Om de scènes en verwijten welke zij hem maken zou, bekommerde hij zich niet. Zijn geweten was kalm als een effen vijver. Doch hij deinsde er alleen voor terug omdat hij er tegenop zag, Lucienne leed te doen, een leed, dat zij zeker niet aan hem verdiend had. Zij had hem lief. Misschien kon zij zich boven een platvloersch gevoel van wrok verheffen. Ongetwijfeld zou zij lijden om zijnentwil, en even stellig zou zij bereid zijn haar geluk aan het zijne ten offer te brengen. Een trieste ruïne van een voorbeeldig huwelijk, en een poging om op de ellende van anderen een nieuw geluk op te bouwen, zou het gevolg er van zijn. Hij wist dat het lafhartig was, maar hij durfde noch die gevolgen, noch die toekomst onder oogen te zien. Hij gedroeg zich als een pas getrouwd man, die den ernst en de zorgen van het huwelijk voorloopig terzijde schuift met de bede: „Laat mij tenminste enkele dagen ongestoord mijn geluk genieten; de moeilijkheden, bezwaren .... later

later!"

En met die overweging suste hij telkens weder zijn geweten in slaap.

Hij had twee plaatsen in den trein besproken, en één der biljetten aan Janine gegeven. Terwijl hij langs het

Sluiten