Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mijn aangebeden lieveling. Ik ben uitgegaan voor een korte wandeling. Onder het wandelen droom ik van jou. Slaap, mijn schat! Als je honger hebt, bel dan om het ontbijt. Ik ben tegen twee uur terug. T. a. t."

. Met regelmatige passen liep hij over den strand boulevard langs de zee. Een op z'n Zondags uitgedoschte menigte vulde de café-terrassen. In de tuintjes der villa's dronk men port. Een groot deel van de heeren zat in hemdsmouwen — glanzend witte mouwen.

Bakowski haastte zich dit kleinburgerlijk feest te ontvluchten. Bij de eerste trap daalde hij af naar het strand, en vervolgde zijn wandeling over het vochtige zand, terwijl een verblindende zon hem in de oogen scheen. Aan het eind vond hij een rustig hoekje, en daar liet hij zich op het fijne, blonde zand vallen, dat zijn lichaam als in een brandende omhelzing omving, en trachtte zijn

gedachten te verzamelen.

* *

*

Toen hij tegen twee uur in het hotel terugkeerde, vond hij Janine geheel ontwaakt. Zij zat in bed te lezen.

Zoo, zonder poeder en rouge was haar gezichtje frisch als een roos. Hij zei het haar en gaf haar een zoen. Terwijl hij de witte viooltjes, die hij voor haar had meegebracht, in een vaas schikte, zei hij :

— Heb je ontbeten?

Sluiten