Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het toeval wilde, dat de dokter juist dien dag erger gedeprimeerd was dan ooit. Hij kon er niet in berusten, gescheiden van haar te leven. Het was hem onmogelijk. De uren welke hij ver van haar sleet leken eeuwigheden van de gruwelijkste foltering. Nauwelijks was hij in haar woning aangekomen of de ontroering werd hem te machtig; hij kon zich onmogelijk langer beheerschen, en hij barstte in tranen uit. Zij had hem nog nooit in een dergelijken toestand gezien.

— Neem het me niet kwalijk, stamelde hij, haar bijna nederig smeekend. Het is mijn schuld niet! Het is sterker dan ik ... . Waarom heb je me juist vandaag laten komen? Ik had het niet moeten doen, ik wist maar al te goed in welken toestand ik verkeerde! .... Ik voel me rampzalig! Ik kan dit lichaam en dezen geest, die om jou roepen, niet bedwingen! Ik kan er geen vrede mee hebben, gescheiden van jou te leven . . . . !

— En toch is het beter zoo, Henri, zei zij, terwijl zij haar zachte, koele hand op zijn voorhoofd legde. Je moet denken, dat we, als we altijd samen zouden zijn, gauw ruzie zouden krijgen. Ik ben lastig, heusch, en niet altijd even verstandig, weet je. Als we samen woonden, zou je nog veel ongelukkiger zijn. Dat moetje voor oogen houden .... Zooals we nu leven, is 't zoo mooi. Als je altijd samen bent, zie je te gauw elkanders kleine gebreken. En ik heb veel gebreken, heel veel. Je zou minder van me gaan houden; alles zou afslijten tot een gewoonte en misschien .... tot een last....

Sluiten