Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

Versuft, alsof men hem met een zwaar voorwerp een slag op zijn hersens had toegebracht, daalde dokter Bakowski de trappen af. Zijn beenen waren als verlamd, en zijn handen, die om de trapleuning krampten, grepen als in het ijle. In zijn hoofd, zijn arme hoofd, woelde het als een draaikolk.

De herinnering aan hetgeen hij gezien had, het beeld dat hij tevergeefs uit zijn geest trachtte te verdrijven, veroorzaakte hem een ondragelijke kwelling, een scherpe pijn, lichamelijk en geestelijk tegelijk.

Dat hij Janine in dergelijke omstandigheden zou kunnen aantreffen, was een gedachte waarmede hij bijna vertrouwd was geraakt. Het zou afschuwelijk zijn, maar — tenslotte — geenszins onmogelijk. Zij had hem nimmer een volkomen trouw beloofd, hetgeen zij ook niet had kunnen doen. Integendeel. Uit haar eigen mond had hij vernomen, dat zij een minnaar had, en hij, Bakowski, had haar daar zelfs toe aangemoedigd .... Maar nooit had hij kunnen vermoeden, dat zij hem bedroog met zijn eigen zoon! ....

Wist zij, dat het zijn zoon was? . . . Tot zóó-iets achtte hij haar niet in staat. Maar wat geen spoor van twijfel overliet was, dat de zoon wist, dat zijn maitresse de

Sluiten