Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opschrikken, telkens wanneer zij een sleutel in een slot hoorde steken ....

Zij wist zich niet recht een houding te geven. Van den divan liep zij naar de piano; van de piano rees zij weer op, en ging naar de boekenkast. Ze stond met den rug naar de deur gekeerd, een boek in de hand, toen de dokter den salon binnentrad, nadat hij haar tevergeefs in de slaapkamer had gezocht. De letters van het boek draaiden haar voor de oogen en de bladzijde trilde ritselend in haar hand.

Hij trad binnen, even vroolijk en rustig als immer.

— Bonjour, ma petite Annette ! Je bent niet al te boos, hoop ik?

„Boos?" vroeg zij zich af „O, ja! boos, omdat

hij gisteren niet gekomen was !"....

Zij was slecht in haar rol, maar probeerde niettemin gewoon te doen.

— Welnee, heelemaal niet. Je werk gaat vóór alles, nietwaar? .... Je weet wel, dat ik het je nooit kwalijk zal nemen, als je je werk voor laat gaan ....

Maar eensklaps werd hij ernstig, zeer ernstig. Hij liep op haar toe, sloeg zijn beide armen om haar middel, en, als een kind dat zijn verdriet bij zijn moeder komt uitschreien, legde hij zijn hoofd op haar schouders. Gedurende één seconde had zij in zijn oogen gekeken en er den blik gezien der trieste uren.

Teeder voerde hij haar naar den divan en zette zich naast haar neer.

Sluiten