Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kan de geldleener door overlegging van bewijsstukken of van een soerat-keterangan evenwel niet aantoonen dat hij inderdaad de bezitter is van goederen, die hij als borgtocht of in pand wil afgeven, dan mag tot zoodanige handeling niet worden overgegaan.

Is het gevorderde bewijs daarentegen wèl geleverd, dan moeten beide partijen, zoowel geldschieter als geldopnemer, een ten kantore van de kerapatan opgemaakte verbintenis teekenen, waarin alle voorwaarden duidelijk zijn gesteld.

Dit stuk moet dan ten teeken van echtheid mede onderteekend worden door een daartoe door mij gemachtigd persoon, ten overstaan van wien, ook de uitkeering der opgenomen gelden aan den geldopnemer zal moeten plaats vinden.

Artikel 6

Bij geschillen omtrent het bedrag der geleende som dan wel over de bedongen rente, beslist de kerapatan.

In geen geval mag meer rente worden Berekend dan in artikel 4 van deze regeling is bepaald.

Artikel 7

Bij geschillen omtrent verbintenissen met borgtocht of pandgeving, welke buiten voorkennis van de kerapatan of van de landshoofden zijn opgemaakt, en welke niet voldoen aan de voorwaarden gesteld bij artikel 5 hierboven vermeld, kan de houder van een zoodanige verbintenis door de kerapatan gestraft worden met betaling eener geldboete van 2 tot 5 thail *) bedragende. Het werkelijk opgenomen geld moet in zoo’n geval door den geldleener aan den geldschieter terugbetaald worden, echter zonder bijberekening van eenige rente.

Artikel 8

Wanneer het gebleken is dat een geldschieter een verbintenis heeft doen opmaken waarbij de verschuldigde rente al dadelijk bij het geleende kapitaal is gevoegd, zoodat uit dat stuk niet meer kan blijken, hoeveel rente er gevraagd is, dan

!) D.i. f 16,— tot £ 40,—,

Sluiten