Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de verordening van het landschap Serdang van 1 April 1920, goedgekeurd bij besluit van den Gouverneur van Sumatra’s Oostkust van 26 April 1920, regelend de rechtspleging in burgerlijke zaken voor den Kerapatan, luidt artikel 10:

1) Getuigen, die volgens de Serdangsche adatinstellingen niet voor den Kerapatan mogen verschijnen, worden als zoodanig opgeroepen en ondervraagd op de hun volgens hunne positie aangewezen plaatsen.

2. Wanneer de aldus opgeroepen getuige ten bepaalden dage niet verschijnt, wordt hij door den Kerapatan veroordeeld overeenkomstig artikel 9, alinea 1.

3. Indien hij opnieuw opgeroepen andermaal in gebreke blijft te verschijnen, wordt hij ten tweeden male veroordeeld volgens bovengenoemd artikel 9 alinea 1.

4. De president kan wijders bevelen dat de niet opgekomen getuige door de openbare macht op de voor hem volgens zijn positie aangewezen plaats gebracht wordt om aan zijn verplichting te voldoen.

Een verordening gelijkluidend aan de bovenstaande is behalve in het landschap Serdang, ook ingevoerd in het landschap Asahan bij zelfbestuursverordening van 1 October 1919 no 30, goedgekeurd bij besluit van den gouverneur van S.O.-kust van 19 Mei 1920 en in de Batoe Barasche landschappen bij zelfbestuursverordening van onbekende dagteekening no 44, goedgekeurd bij besluit van den gouverneur van S.O.-kust van 19 Juli 1920.

Sluiten