Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET PAARD VAN MONTMARTRE, 1884. STEDELIJK MUSEUM, AMSTERDAM.

ware drang naar grootheid, alles proberende en haast nimmer tevreden over de resultaten. Hij heeft tal van werken tegelijkertijd onderhanden. De mensen met wie hij in aanraking komt, vinden hem opgewonden en lichtelijk ingebeeld, en het is ook in die tijd dat men hem van twintig onderwerpen achter elkaar kon horen zeggen: „Daar ga ik een groot ding van maken . Terwijl zijn persoonlijkheid zich zo verrassend snel losmaakt van al wat haar bindt aan traditionele beginselen en opvoeding, raken zijn vrienden hoe langer hoe meer in geestdrift voor die ontplooiing van een ongekende macht en breedheid, doch schrikken de meesters van de oudere generatie terug voor wat zij slechts als zinloze ruwheid of opzettelijke grofheid aanzien. Vandaar dat zijn herhaalde sollicitaties en pogingen om subsidies te krijgen geen succes hebben. Vermakelijk is het te lezen hoe hij aan Van Stolk begin 1882 schrijft over zijn bezoek aan den schilder H. ten Kate te Amsterdam ter verkrijging van de Koninklijke subsidie, waarnaar hij voor de derde maal tevergeefs dong: „Zijne Majesteit Ten Kate heeft me dit jaar wel willen ontvangen „en me beloofd: „Aan mij zal t niet liggen", natuurlijk aan mij overlatende daarachter te voegen, „dat ge ze niet krijgt". Verder volgden „eenige vragen en gezegden die me minder steunden in 't voornemen „hem t hof te maken dan wel hem den hals te breken en de heele subsidie „naar de maan te laten vliegen: maar gelukkig oogenblikkelijk bedenkend de groote waarde van een gulden, maakte ik een diepe buiging, „beval mij aan in Zijne Genade en Gunst en vertrok, niet wetend

Sluiten