Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„figuren te gaan zoeken en „aardige gevallen. Er is geen „een hier in Den Haag waar „ik mee in de stad dat ooit „heb gedaan, de meesten „vinden de stad leelijk en „gaan alles voorbij. En 't is „in de stad soms zeer mooi, „niet waar?

„Gisteren zag ik b.v. in 't „Noordeinde werklui bezig „aan 't af breken van dat ge„deelte tegenover het paleis, „kerels geheel wit van 't „stuiven van de kalk, met „karren en paarden, 't Was „koel, winderig weer, de „lucht grauw en er was veel „karakter in die plek."

Hun ongewone voorkeur voor mensenfiguren en plekken met karakter - met een bepaald karakter, wel te

verstaan - dat is het wat deze beide kunstenaars enige tijd deed samengaan. Als mensen vonden zij elkander overigens enigszins vreemd: Breitner kon later verhalen doen over Van Gogh's levensernst die hem onthutste, Van Gogh schreef ook wel eens over Breitner in deze woorden: „Om u de waarheid te zeggen was de impressie die ik kreeg van „hem toen ik hem nu weer eens zag niet erg gunstig, ik vond eer een „je ne sais quoi van teleurstelling in hem en sprak hij nog al raar over „zijn werk."

Spoedig na zijn herstel werd Breitner een betrekking als leraar aan de Academie te Rotterdam aangeboden om er gedurende de wintercursus 1882-1883 in de laagste klassen 's avonds les in handtekenen te geven. Hij werd benoemd, hoewel hij tegen deze betrekking aanvankelijk zeer opzag, en hij verhuisde naar Rotterdam, waar hij zijn intrek nam op een kamer in de Aert van Nesstraat, daar hij geen geschikt atelier kon vinden. Ook in deze tijd werkte hij voor zichzelf zoveel hij kon, stadsgezichten, enkele figuren en een paar portretten schilderende, maar zodra de cursus in het voorjaar van 1883 afgelopen was, ver-

STUDIEKOP, TEKENING.

VERZ. D. HUDIG L. JZN., AMSTERDAM.

Sluiten