Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die niet anders is dan het kiezen van woorden in het rijke palet van de taal of het scheppen van nieuwe woorden en deze naast elkaar als toetsen plaatsen en samenvoegen tot een kleuren klankrijk beeld.

Het schilderen van Breitner is nimmer het gevolg van enige theorie, doch alleen de zuivere uiting van een instinct. Niet omdat hij de naturalistische romans van Zola en De Goncourt gelezen heeft zoekt hij de volksbuurten op, waar de winterdagen mistroostiger, de huizen valer en het mensensoort ruwer schijnen dan elders. Hij vindt daar

stemmingen die tot in het diepst van zijn wezen doordringen en zich van zijn zinnen meester maken. Men merkt dat er een aantal thema's is dat rechtstreeks beantwoordt aan diep gewortelde coloristische gevoelens; het zien van de besneeuwde gracht, van het natte plein, van de donkere straat roept onmiddellijk een bepaalde sfeer van kleur en toon in hem wakker. Een beweging, door zijn schildersoog snel opgevangen, wordt direct gedacht als een beweging met het penseel of met het krijt. De uitzwaaiende bonte rokken der meiden in de wind op de brug en bij het dansen, het sjokken van de oude sleperspaarden, het dartele spelen van de Hartjesdag-kinderen zijn evenveel met een eigen teken aangegeven bewegingen, die de hand altijd raak en schilderachtig neerschrijft, zoals men aan de studies in zwart krijt en pastel merken kan.

Breitner, zo onverschrokken consequent in zijn vrije manier van werken, besefte omstreeks de negentiger jaren, toen hij een hier te lande ongeëvenaarde graad van vaardigheid in het impressionistisch schilderen bereikt had, dat het voortgaan op deze weg onvermijdelijk en snel moest leiden tot een volkomen loslaten van de vorm, die zich zou oplossen in een dwarreling van kleurige vlekken. Hij weet zijn neiging naar het al te schetsmatige tijdig te beteugelen en zich te dwingen tot

DE WERF OP HET PRINSENEILAND, 1902. STEDELIJK MUSEUM, AMSTERDAM.

Sluiten