Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten (Vrouwen in de sneeuw, blz. 29). Een winters buitenmotief werd soms getekend en gefotografeerd en later in het atelier, op een balkon of in het tuintje geschilderd. Nooit heeft Breitner moeite om de juiste atmosfeer in zijn stadsgezichten te treffen en zijn gevoeligheid staat open voor alle stemmingen, al hebben sommige de voorkeur. Regenachtige herfstdagen, loodzware luchten boven groezelige straten en smeltende sneeuw op daken en schuiten zijn zo karakteristiek voor hem, dat de term „echt Breitner-weer" onder schilders gangbaar is9). Toch mijdt hij het zonlicht en de ruime uitzichten geenszins; er zijn zomerse grachten en blauwe hemels boven een besneeuwde stad. Het is alsof zijn palet helderder en koeler wordt als hij over het vlakke land bij het IJ kijkt, waar van de hooggelegen einder de zilveren streep van het water blinkt. Soms zijn er de figuren klein als mieren, soms zitten breed uit en massaal de heiwerkers op de voorgrond te schaften of komen de hijgende werkpaarden zo dicht langs den toeschouwer dat hij recht op hun magere flanken ziet. De rommelige afbraken van oude huizenblokken en de bouwerijen geven hem nieuwe kleurencombinaties. Tussen veel zwartig bruin, troebel grijs en bleek geel springt plotseling een fel accent van open rood of blauw naar voren. Soms boeit de ruigheid van het schouwspel hem zo, dat hij met korte slagen de verf op het korrehg doek brengt. Maar nieuwe stemmingen voeren eigen kleurengamma's met zich mede. De tintelende levendigheid van vroeger heeft van lieverlee plaats gemaakt voor de rust van de beschouwelijkheid. Een waas van stilte omhult de huizen aan de Brouwersgracht, de schepen die in het Westerdok te dobberen liggen, de tjalk die langs de donkere teerpakliuizen vaart. De composities zijn prachtig zuiver afgewogen en in de uiterste soberheid van kleuren is een streng meesterschap bereikt. Op de verlaten „Werf op het Prinseneiland" (blz. 55) is geen menselijk wezen meer te bekennen, het diep roodbruin van de gevels en daken staat tegen de omgeving van donker-grijs en wit in een harmonie van dromerige eenzaamheid. Ook op het Damrak is het stil in het zilveren licht dat van de lage regenwolken schijnt en onbeweeglijk liggen aan de Zandhoek de besneeuwde vlotten op de bevriezende waterspiegel.

Na deze periode doen zich haast geen vernieuwingen meer voor, de groeikracht is aan het tanen. Een aantal jaren nog blijft het vermogen bestaan afwisselend de vroegere thema's groot en meesterlijk op te zetten en vaak genoeg bezitten zij nog vonken van het oude vuur. Maar de opgaande lijn van de ontwikkeling is ten einde en na een tussenpoos van teren op een moeilijk verworven schat van ervaringen begint onontkoombaar de weg naar het zwijgen.

Sluiten