Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te maken waar de oprechtheid welke wij nastreven bereikt wordt en waar wij tekortschieten tegenover onszelf. Bij dat onderzoek, waarbij dwalingen nooit uitgesloten zijn, moeten wij ons vooral niet van streek laten brengen door onbescheiden betweters, die willen voorschrijven waar ik overtuigd van mag zijn en wat verboden is te meenen. Herhaaldelijk overkwam het mij dat een willekeurige aanwezige, met het accent van vernederende vriendelijkheid dat de welmeenenden zoo onuitstaanbaar maakt, mij toevoegde: „dat kan je niet meenen!" Waarom ik dat niet kon, verzuimde hij er bij te voegen. Wanneer ik dan goedig mi] de moeite van een nadrukkelijke bevestiging gaf, dikte hij daarop zijn verbod nog wat aan: „misschien meen je wel dat je het meent, doch je vergist je; ik weet veel te goed, dat je er diep in anders over denkt".

Er is nog een ander soort schoolmeesters. Zoodra wij iets volhouden, dat niet in hun kraam te pas komt, trekken zij onze ernst, onze goede trouw in twijfel. Terwijl ik deze aanteekeningen te boek stel, brengt de post mi], door bevriende hand toegezonden, een knipsel uit een krant, een partijkrant natuurlijk. In een boekje had ik terloops medegedeeld, dat naar mijn smaak iedere aanraking met de maatschappij, hoezeer ook onvermijdelijk, een vernedering en een bezoedeling beteekent en dat iedere deelneming aan het openbare leven, in welken vorm en hoe bescheiden ook, ons aantast in wat wij het beste hebben. Ik geloof gaarne, dat een partijdienaar verplicht is het tegenovergestelde te verkondigen en ik denk er niet over hem dat ten kwade te duiden. Ik heb er alleen

Sluiten