Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deed, onder zijn leiding, meer dan eenig tijdschrift in den lande voor de jongeren. Trouwens, de letterkunde liet hem vrijwel koud, wanneer het er om te doen was menschelijke moeilijkheden te verlichten. Dikwijls vroeg ik hem: Zeg me eens in vertrouwen en heel eerlijk, vind je dat verhaaltje nu werkelijk mooi?.... En met zijn zachte, verbaasde stem antwoordde hij: Ik vind het heelemaal niet mooi; maar hij (of zij) heeft het zoo noodig. ...

En daar was de zaak dan volkomen mee afgedaan. De bijdrage, die wij allen „heelemaal niet mooi" vonden, werd in Groot Nederland openbaar gemaakt, omdat Coenen moreele en materieele hulp aan een medemensch in bepaalde gevallen van oneindig hooger belang achtte dan het letterkundig peil van een maandschrift. Deze man, die de inschikkelijkheid \ zelf was, zoolang het zijn persoonlijke aangelegenheden betrof, werd koppig en verbeten, wanneer hij het noodig oordeelde ontwapenden te verdedigen. Het is in jarenlange vriendschappelijke samenwerking mij nimmer gelukt een letterkundig argument te doen gelden, wanneer Frans Coenen zich aan een menschelijk motief gehecht had. In alle andere gevallen konden wij gedaan krijgen wat wij maar wenschten en hij zou eigen belangen gaarne ten achter gesteld hebben om ons ter wille te zijn; doch wanneer „hij of zij het zoo bitter noodig had", viel er niets meer met hem te beginnen, dan werd alles ter zijde geschoven: helpen ging vóór. Ik zou niet gaarne volhouden dat met deze opvatting een tijdschrift gediend is; maar wel pleit zij voor Coenen's menschenwaarde en nooit hebben wij hem zijn doordrijven ten kwade kunnen duiden,

Sluiten