Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEATS AND SHELLEY AND "DE BEWEGING VAN TACHTIG"

slechts de formuleering en uiterste gevolgtrekking der al vroeger werkende reactie tegen de sleur der vorige eeuw. Men had de verbeelding gestereotypeerd en daardoor verwrongen; zoo eischte de natuurlijke loop der dingen, dat men begon met alle verbeelding te veroordeelen." This is immaculate criticism. But, somewhat inconsequentially, he résumés: "Wordsworth zelf, in zijne gedichten, is gelukkig niet getrouw gebleven aan zijne theorieën, en twintig jaar later schreef Shelley zijn 'Defence of Poetry', waarin reeds wordt uitgesproken, wat in den wondervollen bloei der Engelsche literatuur van Keats en Leigh Hunt, tot Tennyson, Swinburne en Rossetti, door de besten is gevolgd en toegepast." 1 It is a most sudden transference of interest; but, fortunately, it does not keep him from switching back to Wordsworth a few moments later. And now we have a thoroughly conciliating understanding of the poet's early theory and practice. "Toch ligt de schuld eigenlijk niet daaraan, dat de onderwerpen zoo klein en zoo eng, maar dat de geesten niet ruim en niet groot genoeg zijn," he has just written, and by way of illustration submits that "de blik van een Wordsworth kan zelfs het laagste en gewoonste onsterfelijk maken".2 This, I think, comes very near to completing the vindication of "Peter Bell", "Simon Lee", "Lucy Gray". And that Kloos had little further to go towards assimilating Wordsworth's central conception of poetry is shown by the close parallelism of his own position, as expressed through his most celebrated dictum: "Kunst moet zijn de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie". There could, I think, be no more explicit realization of the resemblance between the Tachtigers, trying once more to be direct and functional in their writing, and Wordsworth's attack on the poetic diction of the eighteenth century. Khouw Bian Tie may say: "Zoowel Coleridge, Wordsworth als Shelley wijzen alle drie als het ge-

1 "Jacques Perk: Gedichten," Introduction, V, VI.

2 Jbid., VII, VIII.

Sluiten