Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEATS AND SHELLEY AND "DE NIEUWE GIDS"

Onzichtbaar tusschen rotsen nederwierp;

En berggevaarten nijgden naar elkaar Het stompe voorhoofd, als twee reuzenstieren Die duiz'len van de wederzijdschen stoot,

Doch, duiz'lend, vaardig staan tot nieuwen kamp."

And he had plainly the picture of the solitary Saturn in mind

when he wrote:

"En boven waatren, scheemrende onder haar,

Zat Echo, eenzaam op 'n rotsenpunt,

In slaap gegonsd door 't grommende gebons Van katarakten, romm'lend door 't gebergt."

In very similar terms, too, he describes the Goddess Thea:

"Daar stond de donk're, dreigende Godin,

De Styx — en leunde haar geweld'ge leden In schaduw harer hallen aan 't gewelf.

Doch breed stond haar gestalte tegen 't duister,

En haar gelaat was merkbaar in den mist:

't Was als 't gelaat van een ontzachtbre Sfinx,

Uit grauwen steen gebeeld bij d'ouden Nilus,

En die, verweerd door warmte en vochten wind,

Staat in een donk'ren nacht en mistig wêer."

Riper still was the talent he brought to the composition of "Demeter". And as though to measure the new poem against "Persephone", he turned once again to the opening lines of "Hyperion"; and does, indeed, succeed in suggesting its atmosphere of gloom and silence with even more subtle effect:

"Stil zat op 't mosvlak van een grauwen steen De Moeder-Godheid der alvoedende aard,

Demeter op een open plek in 't woud.

Het ver geruisch der rossen van de Zon Week op de kimmen er in 't bosch bewoog Zich niet een blad in 't duister daar 't in hing."

Continuing, he came shortly to the solemn picture formed by Saturn and Thea:

"The frozen God still couchant on the earth,

And the sad Goddess weeping at his feet."

Sluiten