Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUTCH POETRY AND ENCLISH

title he gave out his translations of Shelley's famous treatise and Sidney's "Apologie for Poetry". The Preface makes clear what prompted him to undertake this commendable task of devotion. "Had ik vroeger nu," he reflects, "Shelley's en Sidney's werk wel eens inziende, daar nooit meer dan een paar bladzijden in hun gedachtegang van gevolgd — dit was mij van dat weinige wel bij gebleven dat het ontroerdzijn door Poëzie en Schoonheid uit geen Proza — na dat van Plato — heftiger sprak dan daar. Ontroering wou 'k, niet meeningen. En ik sloeg open, eerst Shelley's werk, toen het Sidney'sche en in de ontroering die me aanwoei' — de helle inspireerende uit het eerste, de zoete bekorings-volle uit het tweede — schreef ik in hollandsche woorden de meeningen over, die voller zoete en geheimzinnige wijsheid bleeken dan ik ooit had gedroomd." The book had a wellmerited success, but it took a poet's intuition to account for the essential basis of that success. "Verwey," wrote his ie\\ow-7achticjer Van Eeden, reviewing it in "De Nieuwe Gids", "heeft een sterke originaliteit, maar sterker is in hem dat eigenaardige vermogen der poëten dat Van der Goes in een Multatuli-studie zoo juist heeft gedefinieerd, het acteer-vermogen of representatievermogen. Hij kan aannemen de grootheid van deze, de schoonheid van die, en meenen dat hij 't zelf is. Het is dan wel groot en schoon, het is ook Verwey, maar Verwey in een rol die hij bemint. Zoo heeft hij met een uniek meesterschap beurtelings de naïveteit van Marlowe, de sublimiteit van Shelley, en het beminnelijke en pittige van Sidney weten om te zetten in zijn eigen, altijd even persoonlijke taal." 1 But perhaps the man who had once written of poetry (surely then with Wordsworth in mind) that "zij ontstaat uit den drang der gevoelens, die overvloeien, wanneer zij zeer sterk worden in het hart van een dichter," 2 was always destined to fill the supreme róle of

1 1890—91 II, pp. 298-301.

2 "De Oude Strijd," p. 67.

Sluiten