Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEATS AND SHELLEY AND "DE NIEUWE GIDS"

"De poëzie komt over me als een droom Vol sterren en een liefelijke nacht Van duister"

and:

"Mijn ziel is in mijn zangen,

Mijn zang is in mijn ziel:

Mijn lied is 't zoet verlangen,

Dat in mijn harte viel."

There has, unfortunately, been a tendency of late for Dutch critics to divide themselves off into two camps, under the respective banners of Kloos and Verwey. But partisan criticism of this type can only harm the real cause of literature, and should be strenuously resisted. What, therefore, I wish to make clear is that, while I may deplore the decline of beauty, the loss of energy and feeling, in the work of Verwey, 1 do so equally, when it is demanded, in the case of the other post-Jacbtigers. "Die kunstenaars-opvatting," may say Van Leeuwen, "kwam al naar voren in Verwey's latere periode; en na den oorlog wordt voortdurend gesproken van de 'roeping der kunst5, welke roeping dan niet meer allèèn wordt geacht schoonheid te geven." 1 But had Prinsen not already pronounced upon Kloos: "In zijn lateren kritischen arbeid, waarmee hij nog steeds in De Nieuwe Gids doorgaat, verliest hij dat direct raak op zijn doel afgaan, bepaalt hij zich te weinig tot de schoonheid of onechtheid van een werk, verliest hij soms in uitweidingen, die niets met de zaak, waarover het gaat, te maken hebben." 2 So what ought we to conclude from these statements but that parity had been about reached. And why, anyway, need we regard them as rival and opposed viewpoints? Is there not in the parallelism they offer an excellent defence of the whole "Beweging van Tachtig", as in essence lyrical, and not intellectual? And what better defence and justification could the separate poetry of Verwey itself have than to say

1 "De Nieuwe Gids," 1936 II, p. 21.

2 "Geïllustreerde Nederlandsche Letterkunde," p. 259.

Sluiten