Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEATS AND SHELLEY AND "DE NIEUWE GIDS"

Drukte het kind de lippen in haar borst.

Het leek een zuigeling die niets dan dorst Heeft en met dichte ooge' uit moeder drinkt.

Ze deed ze ope' en vroeg: 'Moeder, wat blinkt Daar zoo en doet den nevelschemer zijn Als rook van brand? O blusch nu al dien schijn Van licht en laat me u in 't duister kussen.'

Haar moeder blies het vuur uit en van tusschen De bergen golfde weêr de nevel aan."

So again, as Endymion sees Glaucus, Mei sees Wodan:

"Diep heel ver achter in zat op een rots,

Klein leek die in de verte als een schots Van ijs in zee, een oud gebaard man."

And Gorter's very brook flows all the way with Keats's:

"En onder 't kreupelhout praatte een bron Stil voor zich heen, een kind, en toen hij zag Ons luist'ren, werd hij heel stil, maar een lach Ritselde nog van verd're wateren."

Metrically, too, "Mei" owes almost everything to "Endymion". It follows the general model of that poem's "heroic couplets", and it gives the same freedom "to let sentences, prolonged and articulated as freely and naturally as in prose, wind their way in and out among the rimes".1 When Balder sings, it is notable that it makes us think of exactly the same strophe in Book IV:

"Er is niet één,

Neen neen, niet één Die zooals ik haar woestenijen kent —

Zij is mijn kluis,

Mijn vaderhuis,

Mijn stad, mijn hemeltent."

But, in general, it may be said that Gorter's rhyming is not fraught with the impeccability of Keats's; and, indeed, from the measure of assonance to which he so often reduces it, he seems

1 Colvin, "The Life of John Keats," p. 208.

Sluiten