Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

Tjalling "Wychmans Wiarda, veehouder aan de Zomerweg onder Bergum, een grote boer in zijn streek, schrok uit de doffe dommelende zondagmiddagrust, toen de klink van de zijdeur rinkelde. Dat was de Leeuwarder Courant, die Meint zo juist, kortai als steeds, op de rode stenen van het voorhuis had gegooid. Tjalling las de krant met zijn drie buren samen; dat was goedkoper, en nieuws bleef immers nieuws. Tjalling hees zich traag uit de korfstoel en schoot in zijn platte leren sloffen. Zijn hakken klepten vermoeid door de pronkkamer met de glimmend-rode vloer.

Het licht in het voorhuis, waar de ramen niet verhangen waren, viel kras en hard naar binnen. De kalkmuren leken doodsbleker; misschien kwam het ook, omdat er niet gestookt werd; het witsel was volgezogen met kou. Scherp en hoekig traden de weinige meubels vooruit. Buiten viel een stuk ijzel van het dak, het brak als glas op de ingetrapte sneeuw. Tjalling hoorde in de ademloze middagstilte het verwijderd gieren van schaatsijzers. Jonge lui langs de opvaart. Aan de wegkant tikte de echo van verre klompen. Daar liep Meint weer naar huis; Meint had nooit tijd om te praten.

Tjalling keek onwezenlijk om zich heen na de lome slaap, hij rekte zich nog een keer, de ogen gesloten tegen het wrede witte Januari-licht, voor hij zich bukte naar de krant. Er hing het stil en dreigend gesuis van een volkomen zwijgen in de boerenplaats, en het plotseling hijgen van een koe, die bijna voldragen had, kwam spokig over. Er liep een korte vreemde rilling langs Tjalling's rug. Hij kreeg eensklaps haast om naar de besloten kamer terug te keren.

Sluiten