Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

De trein schokte door het winterland, waar de verstrooide stelphuizingen witte driehoeken sloegen in de koepel vol sneeuw. Tjalling voelde zich als een vreemde achter het coupéraampje zitten, stijf en óngewoon plechtig in zijn trouw- en rouwpak. Het kleigebied trok voorbij, de dorpen met hun andersoortige namen, torens, op wier zadeldaken matte sneeuw glinsterde. De doodstille vlakte met de eentonige horizon en de spaarzame bomen lag leeg en onheilspellend. Tjalling kon er de blik niet afhouden; een trieste beklemming vroor samen om zijn hart.

Het was een van de weinige keren, dat hij weer eigen ingeving had durven volgen, en moed en doorzettingskracht genoeg had gevonden, om Reinou te overtuigen: hij moest naar het dorp, waar hij zijn doden broer vermoedde. Hij móest. Het hele verleden was in hem opgestaan sinds het ogenblik, dat hij de zwartgelijste advertentie gelezen had — warme, gulden beelden van hooizomers onder schelle luchten, de brandende geur van gevelde zuring en blakerend gras, het loeien van de verdorste beesten. Jarig op de sjees, waarvoor een hoge ranke draver trappelt; beelden, die wezenlijker en heviger werden dan de eigen omgeving, en telkens weer overgingen in de grauwe herinnering, die Tjalling zoveel jaren had menen te overwinnen en te verdringen. —

Het leeft in hem, het is een koorts in hem, nu hij Jarig terug zal zien. Het is van een ontstellende bevreemding. Tjalling is één-en-zestig, en kent zichzelf: hij is oud geworden, zo oud als Wychman op Wiarda-zathe, die zich verhing. Hij kan zich zijn vader voorstellen als man, als vierkante grijzende boer, als zestiger met stugge ringbaard en heerszuchtige ogen; hij kent zijn eigen trekken van het scheren voor de spiegel: een peinzend vervallen gezicht, waarin smartelijke vouwen gekorven zijn, teleurstellingen en gemis. Maar hij kan zich —• wonderlijk ding ■—- Jarig niet voorstellen als een verouderd man; hij ziet hem altijd jong, mager, fel, soms met de woeste

Sluiten