Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemmen klonken uit een winkelhuis met tapkamer, de schim van een gezicht bleef achter bij een raam. Ergens onderweg kruide een boer de mest uit. De hoge naakte popels bogen onder een onbarmhartige vrieswind. Voor het laatst vroeg Tjalling de weg: ...waar Jarig Wiarda woonde?

De koemelker zette een besmeurde klomp tegen de omgekeerde kruiwagen en leunde op de mestvork.

— Femilie? vroeg hij vorsend.

Tjalling aarzelde, zijn gezicht voelde versteend, dof en rauw klonk hem zijn eigen stemgeluid:

— ...Dat is te zeggen... ik ben nooit bij hem geweest hier... zijn broer bin ik.

De koemelker verschoof de pruim vol aandacht en ging gemakkelijker staan, om den broer van den dode op te nemen. Genoegdoening en nieuwsgierigheid blonken uit zijn bol gezicht. Hij knikte meewarig:

•—• Onenigheid, hè? Jaja, da's geen aardig weerzien. Da's geen aardig weerzien, na zo'n ramp... Wat zeg ik, hij had nog wel jaren het leven kunnen hebben.

Tjalling draalde.

—■ Hoe is 't eigenlijk gebeurd... met hem?

— Hoe? Man, dat weet geen mens precies 1 De postbode zag 'm op oudejaarsavond onder de melkwagen liggen, de hele boel lag onderstboven, en de peerden stonden er naast. Bij de dijk neergeslipt. Anders ken 't niet. Drank had ie niet veel op. Aan het fabriek was alles nog goed, zeiden ze. Melkrijder was-ie, zie? De laatste acht, negen jaar reed-ie voor het fabriek. Ja man, een ramp, met al die verloren melk en dat op de winterdag.

Tjalling knikte langzaam bij elke mededeling.

— Zozo, melkrijder... Bij de dijk neer... Waar woont de weduwe ?

De man met de mestvork nam Tjalling bijna medelijdend op. Hij draaide zich half om en wees met de duim naar een huis aan de opvaart, die met de weg evenwijdig liep. Het lag laag met een geteerde wagenschuur en een halflege hooimijt

Sluiten