Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder steile winterse bomen. De rook sloeg neer uit de schoorsteen.

—• Daar woont Regina met den jongen. Kan nooit missen. Hek door en klapbrug over.

.— Bedankt, zei Tjalling.

Hij liep onwezenlijk verder, zwaar en traag vielen de klompen. Jarig's huis. Jarig als melkrijder — paarden — van de dijk gegleden. Wat was er met Jarig gebeurd, al die jaren? Verlangen en nieuwsgierigheid joegen Tjalling eensklaps op. Hij gleed met de nieuwe klompen uit over het landpad, dat naast de weg met diepgewoelde wagensporen liep. Het huis had twee frontramen, de groengeverfde deur was opzij. Er hingen ondergordijnen aan koperen roeden. Tjalling zag achter de kleurloze spiegeling van de ruit de kap van een bronzen petroleumlamp boven een glanzende tafel, de glim van een kast, en daarachter, lager, iets zwarts op onderstellen. Een kist —•

Een angstig bonzen brak los in Tjalling s borst. Een plotselinge duizelige klamheid in zijn hoofd, een beven over zijn leden. De pet knelde om zijn slapen, de schouders van zijn trouwjas leken te eng. Hij struikelde half naar de deur toe... wachtte, of de spanning wijken wou •—• riep na een tijdje gesmoord naar binnen:

— Vollèkl

Het bleef vier of vijf tellen stil; daarop kwamen er voetstappen uit het achterhuis, in de gang sprong een zwakke echo tussen de wanden. De klink viel met metalen slag, de bovendeur draaide open. Tjalling stond aangedaan, maar zonder beweging. Een lange tengere vrouw met een smal gezicht en zwartgroene pupillen keek hem aan... schril wantrouwen sprak uit de vouwen rond de ogen. Dat moest Regina zijn. Haar stem sneed de stilte:

—' ...Middag.

Tjalling stamelde iets terug, dat een weergroet beduiden moest.

—■ Bin ik hier terecht —1 bij Jarig Wiarda?

Sluiten