Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrouw knikte, haar handen gingen naar de heup, ze nam een vijandig-afwachtende houding aan.

- Ja-?

— Ik bin Tjalling Wiarda. Een broer van Jarig. Ik las in de Leeuwarder, dat hij... een ongeluk gehad had. En daarom kom ik nou om hem mee te begraven.

...Het avondlicht valt door de vierkante ruitjes in de kille pronkkamer van de koemelkershuizing. Er hangt een geur van gedroogde appels, vochtig behangsel en nieuw linnen, èn de geur van den dood. Jarig Wiarda ligt daar in zijn kist. De zoon van Swobk en Wychman. Om het gekneusde voorhoofd sluit strak het verband —• daaronder zinken met blauwe randen de gesloten ogen. Een vlok wild grijs haar valt langs het linkeroor. Tjalling zit naast zijn doden broer — uren lang zit hij naast hem. Regina en Ekke slapen, maar hij heeft de lamp aangestoken. Hij kijkt naar Jarig's laatste gezicht. Hij begrijpt het niet. Telkens, als hij die versmalde, benige kaken ziet, de grimmige mond en de magere keel, waar de adamsappel rond als een bruine noot op ligt afgetekend, begrijpt hij het niet. Hij verwachtte dezen Jarig niet, hij kent hem ternauwernood. Jarig... dat was een boos ooggefonkel, dat was daadkracht en meesterschap. Maar wie is deze oude op zijn nachtelijke rit door den dood achterhaalde man, deze vreemdeling, onder wiens doorleden masker maar vaag een bekend gelaat geboetseerd ligt...?

Buiten gloort de sneeuw zichtbaar, en de wind tiert over de onbeschermde vlakte naderbij. Tjalling herinnert zich de wind op de zathe, de stormvlaag, die hij is ontwend. Uit de verre krans van meren komt hij verstijvend over, hij buigt de gestorven kronen van de eiken langs de rijksweg, en de rietkragen bij de brekken slaat hij open, hij fluit onder de kleine bruggen, hij valt op de verlaten erven en teistert struiken en houtwerk, hij spookt onder het dak als de angst van een hondentroep, hij giert als een horde wilde ganzen over het dodenhuis.

Het rad der fortuin 2

Sluiten