Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ledematen; hij staat op, lood in de voeten, stekende gewrichten. Het is vroege morgen, het heeft ook weer gesneeuwd, de ruiten aan de windkant zitten vol starre bloesem, de lamp is uitgegaan, aan het lampeglas zit een zwarte roetlaag geblakerd. De dode ligt nu in het grijze schemerlicht veel vrediger, vervaagd is de angstige onbekendheid van de trekken. En toch kijkt Tjalling Wiarda weer met ontdane verbazing naar dat gezicht, het gezicht, waarin hij zijn broer niet terugvindt. Ergens in het huis wordt gestommeld, de pendule op het kastje tikt met fijne slag en wijst de tijd, dat de nacht om is. Door de dikke sneeuw van het erf schuurt een verwoede bezem — dat zal Ekke zijn. Tjalling strekt de armen; de slaap heeft hem dus toch gekregen, op de harde stoel, en deze doffe moeheid in zijn nek geplant. Hij stampt een paar maal met de ijskoude voeten op de mat en maakt aanstalten om naar het achterhuis te gaan.

Regina komt onhoorbaar binnen op haar kousen. Tjalling schrikt op. Ze trekt met de neus, ze snuift de roetlaag, ze kijkt zonder een woord, maar bits naar het gezwarte glas van haar beste lamp. Dan groet ze hem, stug en afgemeten:

.— Morg'n.

Het is één norse, kortaffe klank, en Tjalling knikt sprakeloos terug. Hij staat daar lomp en doelloos tegenover de zwarte slanke weduwe van Jarig. Hij is nog haast niet hersteld van de vreemde slaap in dit vreemde huis, of de onrustbarende gevoelens komen al weer terug. Regina veegt de natte handen •—• aardappels zal ze geschild hebben — aan de grove blauwe boezelaar af en zegt iets, zonder hem rechtstreeks aan te kijken:

.— In de achterkamer staat brood klaar, thee zit in de trekpot. Ik heb je maar laten slapen, zie.

Ze wendt zich naar het kabinet, haar snelle handen gaan langs een stapel linnen. De geur van andermans was strijkt door de koude kamer. Kijkt Regina dan geen ogenblik naar den dode?

Tjalling knikt weer, onderworpen en overrompeld door

Sluiten