Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjalling eensklaps uit de kamer. In de gang blijft hij weer staan, hij wendt zich om, achter de deur, zorgvuldig uit het bereik van Regina's aanblik en van die geopende kist —:

— Ik wou me wel even laten scheren... Ken dat hier?

Zijn stem is nog even onbeheerst en hees als voorheen. Het antwoord blijft een paar tellen weg, alsof Regina hem in stilte uitlacht. Dan hoort hij haar:

.—■ Twaalf huizen verder naar de brug.

Er is iets rauws en triomfantelijks in haar stem, dat Tjalling niet begrijpt; iets, dat niet past bij doden en leed. Tjalling is boos op zichzelf, hij weet niet waarom. Alles is troebel en onwaarachtig hier. Hij stommelt naar buiten, tast onbeholpen en bevend alle zakken af om pijp en tabak, stopt de porceleinen kop, maar vindt geen lucifers. Die zitten nog thuis in de kiel aan de Zomerweg... Zijn eigen huis. Reinou... Terwijl hij langs het landpad naar de weg struikelt, vervullen hem vernedering en ergernis, verlangen naar huis, Reinou... Verdomd, dat knappe zwarte wijf van Jarig. Vijandschap verdringt de ergernis en de schaamte, vijandschap met een onderstroom van gevaarlijke lust.

Tjalling zwaait met de lange armen, als schuift hij onzichtbare tegenstanders uit de weg, nu hij de huizen telt •—- vier, vijf, tien ■—• daar moet de barbier wonen.

III

Hij weet niet, of hij blij is of ongelukkig, wanneer hij de benauwende kamer van den dorpsscheerder weer verlaten kan. De man heeft hem, vreemde klant, gedrongen en gekweld met tientallen vragen. En nu moet hij weer terug naar het dodenhuis. Tjalling slingert bijna het hek in — hij schokt van onrustige angst. Voor de begrafenis, die nader komt. Voor Regina. Voor wat hij straks zal moeten bespreken. En de wind bijt in zijn geschoren gezicht, de doffe druk in zijn achterhoofd begint weer te bonzen als een pijn, die het denken belemmert.

Sluiten