Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In huis terug, is Regina gekleed. Zij houdt de ogen met de lange wimpers neergeslagen over een strak gezicht. De mond met de volle donkere lippen is smaller geperst, op de wangen beginnen vlekken van spanning te gloeien. De jongen loopt nog steeds in zijn erbarmelijk onuitgesproken leed door het huis, en verricht allerlei nutteloos karwei. Hij sjokt langs het erf en spookt in de stal; en Tjalling luistert met groeiende ellende naar de onrust van de geluiden, die Ekke teweeg brengt. Tjalling loopt heen en weer, strijkt eindelijk neer op de punt van een stoel, schuift de pet achterover, en wacht. Hij moet wachten in het kamertje, waar Jarig een dag of drie geleden nog gegeten heeft en geslapen; zijn ogen zien voor de zoveelste maal naar de vergulde beeldjes op het kastje, naar de lange repen spek, die naast de schoorsteen drogen. Dat alles heeft Jarig ook voor kort nog gezien. Buiten breekt de saamgeschoven lucht, een tijdelijke, grillig witte zon streept de gordijnen met koud licht, het schijnsel van Januari, dat niet verwarmt, maar alles genadelozer ontdekt...

Eindelijk komt Ekke toch. Hij heeft een emmer water uit de regenbak geput, en wast hoofd, nek en handen met plassende luidruchtigheid; het groene schuim staat op zijn huid. Hij verkleedt zich in de kamer. Daar staat hij, het blonde doorglommen gezicht boven het zondagsgewaad, te jong voor man, met de gelatenheid van een vereenzaamde boerenjeugd. Hij drentelt, en wacht ook af. Regina zit stuurs in haar stuurse dracht, en niemand waagt het, een woord te spreken.

Als de buren komen — de allernaaste, wat mannen en vrouwen van de kleine plaatsjes en koemelkerijen aan de opvaart •—• vinden zij drie zwijgende mensen bijeen. Tjalling's hand speelt zonder eind met het gladgouden hoefijzertje, dat aan de gevlochten horlogeketting bengelt. Er komt een hortend gestommel in de kamer van stugge lichamen, voeten schuifelen op dikke nassaublauwe sokken naderbij, Tjalling drukt verward de boerenhanden, die hem onbeholpen toe worden gestoken. Van leedbeklag is geen sprake. De weinige gasten op deze begrafenis doen dit slechts zijdelings, in de klagelijke

Sluiten