Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

opmerkingen, die ze straks ten beste zullen geven, als er voor ieder een stoel gevonden is. Tjalling neemt de geburen op, doorploegde weer-en-wind-gezichten van mensen, die veel aan en op het water leven; er is één oud man bij met een bruine kop en een ringbaard, hij draagt kleine gouden knopen in de lange slappe oorlellen, en naar hem kijkt Tjalling het langst. De vrouwen kruisen de armen over de schoot en wrijven de voeten warm boven de stoof, die Regina voor hen aanschuift. Hun blekere, glimmende gezichten met de harde konen onder de gulden lijst van het oorijzer lijken op elkaar. Stemmen beginnen hard en hol in de kamer te klinken, tuiten in zijn oor —• de stemmen van mensen, gewend, in de open ruimte tegen elkaar te schreeuwen. Een meewarige nieuwsgierigheid zonder medelijden, voelt Tjalling; een weetgierigheid van onbekenden, die als iedereen in dit dorp, die hij nu heeft gesproken, branden om meer te weten over den pas opgedoken broer van den verongelukten melkrijder.

— Zo zo, dit is dus de broer van Jarig...

—• Uit de Wouden gekomen, hoor ik?

—■ Een hele slag voor de vrouw, —• zegt een ander met een hoofdknik naar Regina, hard, alsof ze er niet bij was.

.— Ja mens, de Here beschikt. En Ekke, de stumper. Maar Hij maakt het naar Zijn goeddunken. Ik was ook een jongen, toen ik mijn vader verloor. Weet je wel, Wytske ? 'k Vergeet dat niet weer. Uit de brekken kwamen we met gras —■ hij lei op de geladen praam te slapen, hij was óp van 't werk, man. En toen ik onder de draai doorstuurde, werd hij just wakker en sloeg met de kop tegen een dwarsbalk... zo dood 't water in.

— Ja, dat was ook treurig, Ruurd.

•— De Here roept ons op, as we d'r op het minst aan denken.

—- Bereid moeten we zijn...

In de kleine kamer met de rossige potkachel en de bezwijmelende warmte gloeide Tjalling weerloos onder de vragen en opmerkingen van dit fijne boerenvolk. Een genadeloos koor van stemmen werd het in de leegte van zijn hoofd. Regina

Sluiten