Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de lange man naast Tjalling, de witte vingertoppen tegen elkaar.

•—1 JMennisten, zei Tjalling kortaf.

•—• Aaah! Mennisten... Bij mijn weten is uw broer toch nooit naar Sneek gegaan; daar is een vermaning —

—• Ik weet 't niet; ik heb hem niet gezien, in jaren niet, antwoordde Tjalling, zachter, en opziende. Iemand keek naar hem, hij voelde de kracht van die blik trekken. Het was Regina. De boog van haar wenkbrauwen stond donker gefronst. Ze had met zorg naar het gesprek geluisterd.

Een ogenblik lang keken Tjalling en de vrouw van den doden Jarig elkaar aan. In Regina's ogen hing een smeking en een dreigement. Tjalling zag, dat ze den dominé en zijn vragen verfoeide. Het gaf hem een plotselinge ongekende moed, dit zwijgend beroep op zijn hulp. Het verzet tegen de nieuwsgierigen scherpte zich, terwijl de dominé langzaam zijn koffie dronk en op zijn minzaamst zei:

.—• Een duistere geschiedenis was dat altijd met Jarig Wiarda... Niet, dat 't geen rechtschapen man leek... Maar eigenlijk weten we niets van hem af —• •—•

Hij keek verwijtend naar Regina, die recht achter de koffiekan zat, en koppen volschonk, alsof ze geen woord kon verstaan. •—1

—• ...Een duistere geschiedenis, herhaalde de dominé, naar Tjalling gekeerd. — Maar u bent z'n broer. U kunt ons wel wat naders vertellen •—?

Tjalling's handen beefden, en zijn hart gaf een hoge slag. Hij keek nog een keer naar Regina, de schaduw van haar wimpers, het haar in de zwarte wrong, de japon met de stroken en starre plooien over de schouders, die hij half naakt gezien had, de witte hals, die in de opstaande nauwe boord zat geperst. De vrouw van Jarig. Een stamelende overmoed om iets te doen, wat dit knappe, vreemdsoortige wijf welgevallen doen zou, steeg begeerlijk in hem. Hij richtte zich naar den dominé, die hem speurend op begon te nemen. Tjalling Wiarda opende twee maal de mond; en toen sprak hij.

Sluiten