Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was een kanselgebaar, een eenvoudige maning; zijn stem beefde even, maar ook dit was een opzettelijk beven:

— „De wijze vreest en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopend, toornig en zorgeloos". Ik kwam hier, omdat mijn plichten het mij voorschreven, maar ik heb mijn ijver aan dwazen besteed. Ik doe beter te gaan, en ik hoop, dat ik niet alléén hoef te vertrekken. —

Hij schoof zijn stoel achteruit, in het ontdane zwijgen kraakten zijn schoenen naar de deur. Een minuut nadat hij gegaan was, bleef het nog doodstil. Vijandige blikken schoten naar Tjalling uit. Toen stond de oude man met de oorbellen op en schraapte nors zijn keel. Maar Regina was hem voor. Zij vloog op, zwart en gerekt en met kordate vuist.

—< Gelijk heeft m'n zwager 1 Ik heb niet om dominé gevraagd. Jarig gaf nooit niks om bidden en femelen. Al dat gepreek is tegen onze aard. Niemand hoeft hier weg te lopen, dat weten jullie. Ik misgun geen mens wat. Maar ik zie liever geen kwaje gezichten, en de waarheid dient gezegd! —

Tjalling's hart begon weer vol spanning te jagen. Er gebeurde eerst niets. Regina ging bleek zitten. Toen brak een stommelend en hard geschuifel los: men stond op, men schoof de zitplaatsen en voetenstoven weg, omslagdoeken en mantels ritselden. De gasten verdwenen — verdwenen zonder een woord.

IV

Tussen Tjalling Wiarda en Regina stond de koudgeworden theeketel op een dood comfoor. De tafel lag nog vol omgekeerde koppen, broodkorsten, kruimels van beschuiten en koffievlekken. Een drukkende geur van mensenzweet en eaude-cologne wou niet wijken, de ramen bleven zwak befloerst. De middag schoof langs het groene behang, door de bovenlichten viel een dunne zonneschijn op Regina s haar en wekte er bruine onvermoede gloeden. Ekke was naar buiten gegaan, als in de voordag; de stal moest verzorgd, de melkemmers en

Sluiten