Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Het laatste jaar van de oude eeuw had woelende veranderingen gebracht in het bestaan van Herre Tjallings Wiarda. Hij kon zich nog de morgen herinneren, waarop de vergadering had plaatsgevonden van de aandeelhouders der zuivelfabriek, waarvan hij commissaris was, sinds hij zijn molen en zijn cichorei-branderij had verkocht, om geheel in zaken te kunnen gaan.

De motregen, die langs zijn gezicht vaagde, had hem nauwelijks gedeerd; hij voelde de zoelte en lauwe vochtigheid van de beginnende voorjaarsdag niet, zag niet het blauwe dromende beeld van het anders zo parmant en helderkleurig Leeuwarden onder de zilte regenmist. Hij kauwde op de sigaar, inhaleerde de rook zwaar en zonder nadenken, liep met de handen ineengekneld in de zakken, en bleef bij iedere straatklok staan, zonder eigenlijk te weten, waarom hij naar de tijd vroeg. Met een blinde afwezige ijver dacht hij. Zijn vooruitzichten, zijn verwachtingen op de gunstige stroom van het getij begonnen werkelijkheid te worden. De vergadering in de Klanderij, die hij juist verlaten had —• een roerige affaire met veel alcohol en tabak en stotend gelach van succesvolle boerenzoons, die zoals hij in ,,zaken" gingen —• was als de vorige een overwinning op crisis en verleden. Het jaar had een stijgend exportcijfer, en wie dat niet zelf uit de statistieken lezen kon, had het toch kunnen leren van de winstprocenten der fabriek.

Herre Wiarda had, voor het oog in kalme afzijdigheid, maar inwendig gespannen en van koene voornemens doorhamerd, achter het brede matgeregende raam van de biljartzaal gezeten, en daar zijn snelle berekeningen gemaakt, terwijl

Sluiten