Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

togen was met de zoete kruidige roken van het gevelde gras, op de oude bedstede van zijn jongensjaren slapen. Boven hem was de zolder en de balk, waar hij zijn eerste geld verborgen had. De vleermuizen achter de binten maakten zich al los voor een nachtelijke jacht, de spreeuwenjongen kermden onder de pannen, alles had het overbekende, ingekeerde en ritselende van een oeroud weldadig verleden. En dat verleden was in hem ook; zijns ondanks genoot hij in een sombere gedruktheid van de gedachte, dat hij er aan ontsnappen zou, vroeger of later... Was het goed, was het kwaad? Wat deed het er ook toe: hij moest zijn weg gaan, het ene ding bracht onherroepelijk het andere mee, en hij had slechts te gehoorzamen aan de schakeling van oorzaak en gevolg.

III

In het begin van Juli was het hooi bij de meesten wel binnen. Kleine boeren beulden zich nog hard op de weilanden af; zij konden niet voldoende hulp betalen, melksters en wiedsters verslonden de verdiensten; en ook de dagloners met hun halve pondemaatjes maaiden zorgelijk het oppervlakje voor de ene geit. Maar bij Tjalling Wychmans Wiarda staan schuur en afdak en hooiberg vol van een licht, geurig, doorzond en krachtig wintervoer, dat in de norse maanden als een broze heerlijkheid weg zal ritselen over de rasptong van de beesten.

Tegen half Juli stak de zon als een vuurbal vol pijlen, de kleren hingen het boerenvolk doorweekt om het lijf, de schenkels schrijnden vurig bij iedere stap, nek en gezicht waren roodgeblakerd, de haren gebleekt. Aan de horizon kwamen al kleine geladen wolken. Nog hingen er windstiltes, maar ze waren verzadigd van vernieling. Toen de onweders losbrandden, zagen de Wiarda's weer naar de open kant, waar Eernewoude en Warga aan het water lagen, de vuurkolommen van getroffen boerderijen tegen het angstig zwerk. Een halve week lang botsten de donderwolken van alle zijden tegen elkaar, de regen spoelde de stoffige erven glimmend-glad, en toen de

Sluiten