Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—' Wiarda is onze man! Wiarda moet voorop]

Herre schoof rustig en met natuurlijke moed zijn arm onder die van Boukje. Na zoveel weken van spanning, zonder vrijerij, was hem de vrouw weer een kortstondig wonder. Hij moest een scha inhalen. Haar harde boerenhand lag op zijn arm; het was, of hij ze zelfs door de stugge stof van zijn pak voelde, een zware en machtige warmte.

Zij duwden zich traag door de controle, Herre kalm hoogmoedig onder het aparte, respectvolle hoofdknikje van den man, die de retourtjes in tweeën brak. Oeds en Tamme en de anderen sjokten op hun nog krakende schoenen —■ zo uit het wintervet gehaald — achter de bonte vrouwenrij; ze liepen half beschaamd, alsof ze voor moesten wenden, dat ze niet bij zoveel jeugd en uitgelatenheid en braszucht behoorden, en waren inwendig ontzaglijk trots op het gezelschap, en op Herre Wiarda, den machtige, die bruin en frank en fors, als een leider met Boukje aan de spits marcheerde.

Onder de lindebomen van de stationsweg hing al een weeë vlaag van olie en zoetigheid, vermengd met stof en hitte. Fragmenten orgelmuziek pijpten mee met de wind. Langs de stoepen legerde de warmte, ze steeg uit de keien, die ketsten onder de boerenhielen. Er was wonderveel volk op de been, en ofschoon iedere boer schaamtevol meent, dat alle ogen op hem gevestigd zijn, vielen de woudkers in het gewoel ternauwernood op.

IV

Het kermisterrein, bevlagd, overwemeld, tenten in rij na rij, kramen, lucht van bollen en zuur, van paling en noga, de grimas van apen en het kittelend tegennatuurlijke van vrouwen met baarden of het losstaande, sprekende hoofd... Nu zwijgend, dan luid, omringden de woudkers en hun vrouwen het ontzaglijke en vele, tot zij belandden voor het wonder van het jaar: de caroussel.

Ze stonden voor de steile fassade; met het hoofd in de nek staarden ze naar de geschilderde fronttafrelen, en zij ver-

Het rad der fortuin 4

Sluiten