Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in korte schrikachtige herkenning vertrekken. Haar ogen namen hem op, haastig. Hij las er haar bang en gunstig oordeel in. Hij schoof zich voor Boukje — in een opwelling — en lachte breed.

— Wat een streeksters op de baan! En hoe waren de acrobaten ?

—1 Gelachen hebben we...

—1 Allermalst, zei de magere broer.

—■ Kom met ons... Allemaal woudlui bij mekaar...

— Tja... ik weet 't niet... Pieter, wat zeg jij?

Pieter Eisinga keek Herre Tjallings even vorsend aan uit ongezonde ogen. Zijn hals stak ver boven de liggende boord uit, mager als bij een kale roofvogel. Zijn blik zwierf onrustig weg.

—• Wat zijn de plannen?

Herre maakte een groot achteloos gebaar in de lucht, dat alles betekenen kon.

—• Plannen? We lopen achter onze neus aan, die ruikt wel, waar lol is... Willen we dansen?

Het laatste zei hij tegen Antje, maar plotseling keerde hij zich half om, als had hij het tegen de anderen bedoeld. Toen hij haar weer aankeek, half spottend, half lokkend, zag hij, dat ook zij aan het bergumer koninginnefeest terugdacht. Ze stamelde, hij zag dat ze mee wou. Pieter mompelde iets, onverstaanbaar, maar ze maakte een fel gebaar van ongeduld met de hoekige elleboog.

Herre wachtte, hij nam de twee vrouwen aan zijn zijde snel en als in vergelijking op. Boukje was argeloos; maar ze zou gauw genoeg weten, wat hij van zins was. Ze stond daar jong en lachend, de drank had haar gewillig gestemd, haar wangen purperden zacht, en Herre dacht aan de late uren, die hij zich met haar had voorgesteld. En tegenover haar was de grote boerendochter, te schonkig, te gerekt en te weinig vrouw... maar rijk. Door Herre's lichte drankbeneveling brak een begin van berekenende sluwheid.

— Naar Van der Wielen, zei hij; —• en niemand blijft achter]

Sluiten