Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Toen Rudmer Wiarda zijn eindexamen had gedaan en de laatste weken voor het vertrek naar de universiteit aan de Zomerweg doorbracht, kwamen er vlagen van afzonderingszucht over hem, waarin hij zelfs zijn ouders en zijn broer zoveel mogelijk meed. Herre, nuchter als het bedrijf waarover hij met hoopvolle zekerheid sprak, had hem beloofd, dat hij in Groningen nooit om geld verlegen zou hoeven te zijn; zij praatten vaker samen, en er was iets als een kortstondige toenadering tussen hen. Maar Rudmer zat het liefst alleen thuis, in de zelden betreden voorkamer van Reinou Herres. Daar hing aan de hoge donkere wand de spiegel, waarin hij het beeld weerkaatst zag van een jongen, blonden man met welverzorgde handen en speels haar; en voor die spiegel stond hij dikwijls peinzend en met vragende zelfingenomenheid en dacht aan de toekomst, die zo vlakbij kwam: de hogeschool.

Sinds jaar en dag was hem het doel bekend geweest; maar nu het reeds tastbaar werd, besefte hij, dat hij in een hoge en kalme wijding door dit bestaan hoorde te schrijden. Dit besef dreef hem naar de eenzaamheid; hij slenterde ook alleen langs de landpaden, waar hij broodventers, boerenarbeiders en koemelkers zo minzaam terughoudend toeknikte, dat zij buiten de dagelijkse sleurgroet zelfs niets over het zomerweer tegen hem dorsten te zeggen. — Rudmer van Tjalling en Reinou wordt dominé, zei men in de streek; en men zag het aan hem; hij was welwillend, maar ver.

In die zelfde zomer begon hij een dagboekje te houden, waarin hij neerschreef, wat hij aan geestelijke ervaringen beleefde, en die hij, vaker nog, zichzelf dwong te beleven.

Sluiten