Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

namiddag op de hooiwagen, die schommelend naar huis reed; de hemel was nog tintelend diep, de zomer gloeide en schrijnde op zijn huid, het werkvolk grinnikte minder schel, de paarden hijgden de oude vertrouwde zweetlucht uit, de voeren slingerden langs de woudwegen, waar de struiken vol bloemen en hooikransen terugzwiepten als een vracht passeerde, en thuis at hij, hongerig en hol, mee aan de geweldige tafel, die Reinou en de meid hadden aangericht. —•

De vermoeide avond overviel hem na zo'n avontuur vol gloed en wonderlijke verhalen, hij dacht aan de wellustgrijns van den ouden Japik, de eetrazernij van Jurjen, en sliep met wijdgestrekte armen en naakte borst nalachend in.

Bij het ontwaken, de volgende dag, kon het voorvallen, dat hij onder het aankleden het kleine boekje in zijn binnenzak voelde •—1 een tastend hard verwijt; en met een onoprecht berouw over de dag van gisteren begon hij de ochtend: zich dwingend tot afzondering, tucht, studie. Met een boek onder de arm slenterde hij de stille zijtuin van de stelp in. De zon broedde er roerloos op zand en bloemstruiken. Hij ging op de smalle bleek liggen, begon te lezen en betrapte er zich na een half uur op, dat hij niet wist, wat hij gelezen had; hij had vage verlangens, die ergens in het verleden begonnen, zag de gezichten van de school; later herinnerde hij zich een meisje, dat hij op het bal van de krans had ontmoet, en dat hij gekust had, toen hij haar des nachts naar huis begeleidde. De stilte en het slaapzware gonzen van de hommels op de bloemen, herinneringen aan een mond, een zachte jonge hals... voornemens van ernst en wijding... de weg tot God... jonge mannen in een collegezaal... alle beelden wiegden traag op het onbestemd ondergevoel van zijn gedachten; hij rolde zich op zijn zijde, staarde tussen de dunne elzestammen door naar het land van den buurman, waar een geit aan de slootkant graasde; jongens tuigden een paard aan op het erf; boven hem stolden de wolken tot berglandschappen, die elkaar langzaam uit het gezichtsveld verdrongen... Hij léefde weer alleen, rekte zich, dommelde zonder te slapen, rolde zich om, las met moeite drie

Sluiten