Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Schep dan, lamstraal]

—■ Volhouden!

Rudmer schepte opnieuw, terwijl hartige verwensingen hem opzweepten. Het water trok zijn arm neer, het bevroor zijn handen, die bloedloos en zonder gevoel om het harde metalen handvat sloten, alsof ze er nooit meer los van zouden raken. Hij schepte, steunend. De oorsuizingen kwamen terug —• voor zijn ogen versprongen zwarte sterren... daarna sloot zich zijn blik. Hij gleed langs de wand in het water, de emmer nog steeds in de hand. Waar bleef Vitringa?

Het schreeuwen van de donderaars werd een zacht fluitend geraas boven zijn hoofd, dat onverhoeds wegstierf... Het water fleemde. Het had zijn grimmigheid verloren. Het was lauw en koesterend, zacht als het graf. Met een donker veilig welbehagen gaf hij zich er aan over —■ Lente. Een meisjesmond, een jonge hals, kussen onder de vochtige kastanjebomen van een Leeuwarder singel — hooiers —1 zonnebloemen, vredig is de middag op het witte zand •— warme lichtval van de zon op de bladzijden van een open boek —

Zo is het goed.

Hij kwam rillend en schokkend bij. Hij lag voor de kachel op de grond, onder zich een stapel van jassen. Gijsbert Karei Vitringa dreef hem met een reusachtige baddoek droog. Er was een lucht van alcohol om hem heen; op zijn lippen proefde hij de scherpe smaak van cognac. Hij herinnerde zich, in een flits en een schrik: de kelder. Hij vloog op, krijste. Maar zijn patroon duwde hem met kalm geweld terug naar het kussen, waarop zijn kletsnat hoofd gelegen had:

— Bek houden en koest liggen, ganzegat.

Ganzegat... Zo heetten de eerstejaars studenten. Ganzegat? Dan was de nachtmerrie voorbij ?

Rudmer's gelukkige snikken smoorden in het doorweekte kussen.

Sluiten