Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onze natuur schijnt zodanig, dat wij een dubbelwezen in onszelf verenigen, den demon en den engel," schreef hij in de stille wintermiddagen op het zolderkamertje, terwijl de sneeuw vragend langs het venster suisde. —• „Het vlees zoekt de genietingen, welke den demon voeden; maar het is ondenkbaar en zinneloos en tegen ieder beginsel van het evangelie, zich een wereld voor te stellen, waarin de engel niet ten slotte zou zegevieren. Het principe van wat rein en edel is, draagt de mensheid, door welke donkere dalen ook, toch steeds weer naar de toppen van het licht, waar zij haar hoogste bestemming erkent: dat zij hier op aarde reeds worden kan, wat zij in haar beste ogenblikken voorvoelt te zijn."

In deze trant vervolgde hij het relaas van zijn geslachtelijke ervaringen ettelijke bladzijden lang. De hevigheid van de botsing tussen licht en duister werd in den brede uitgemeten, en toen hij het overlas, was hij tevreden en geroerd over zichzelf, ofschoon hij een vaag besef had van iets, dat hij vergeten had te vermelden...

Wat hij vergat, dat was het feit, dat hij, de „angst voor de gevolgen" trotserend, in zijn pas veroverde mannelijkheid toch herhaalde malen terugkeerde naar het perceel, waar hij met den demon geworsteld had, zij het ook, dat deze demon van het zwakke geslacht was en van taf zijde ritselde en een gekleurd lint in het haar droeg. Hij had vergeten vast te stellen, dat de demon het maar al te dikwijls van den engel won. Maar hij had zich voorgenomen, in het dagboekje slechts te spreken van wat hem wezenlijk leek voor zijn geestelijke groei; en hij vergat de daden in het duister, tot „de engel" kennelijk in slaap was gevallen en de gesprekken op Mutua zovele bezweringen leken, die de zwarte wiekslag van het verachtelijk verlangen wonderbaar bevleugelden...

Rudmer maakte snel vrienden, kompanen van het eerste jaar als hij, die vol heilige ijver college liepen, en de kerkvaders lazen, aan Palestijnse oudheden deden, maar na enkele maanden geen eerbied meer hadden voor de baard van welken professor ook, en niet schuwden om van den Judaïcus te spreken als Kees

Sluiten