Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze voor het eerst over Vitringa's denkbeelden. Over het hard en gerekt gezicht van den studiosus vleugde iets onbeschrijflijks, toen Rudmer hem op den man af vroeg, waarom hij gezwenkt was.

— Waarom of ik jurist a£ werd? Waarom ben jij theoloog —-?

—• "Wel... om voor mijn medemensen iets te kunnen doen... misschien, stotterde Rudmer, die de terugslag niet had verwacht.

—■ Juist. Misschien. Dat wil ook.

Vitringa liep heen en weer in zijn hoge lange kamer, waarvan de wanden vol boekenkasten stonden; zijn gestreepte huisjas fladderde om zijn schriele kuiten. Zijn handen hield hij vooruitgestoken, ze maakten krampachtige, hakkende gebaren in de lucht.

—• Er gebeurt veel, zo veel, dat we het haast niet kunnen volgen. Overal. De wereld is een verschrikkelijk slagveld. Nieuw tegen oud. Dagelijks wordt er gevochten, dat het kraakt. En het leven van den kleinen mens is niet bijster amusant; integendeel... ze zitten in de greep van de groten dezer aarde als een school haringen in het net... Een afschuwelijk gezicht, Rudmer Wmrda... Geen behoorlijk mens kan het aanzien.

Hij ademde diep:

— Eerst wou ik advocaat worden. Maar hoe vaak zal ik dan de kans krijgen, om te getuigen tegen de schreeuwende onrechtvaardigheid der wereld? Als dominee kan ik elke week mijn stem in 't openbaar laten klinken, weet je... tenminste, ik hoop het. En ik kan zo'n gemeente van kleine zwoegers en werkers en boertjes en domme zielen door de week een weg wijzen, waarop ze moeten gaan, hèlpen...

Hij hief de handen omhoog, liet ze daarna weer zinken. Rudmer had met beklemde verbazing geluisterd. De mogelijkheid van dit soort theologie doemde hem voor het eerst. Hij keek naar Vitringa, die tegen een der boekenwanden leunde; de scherpe, gewrikte neus tekende zich hoekig af tegen de hoge

Sluiten