Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vreedzame burgerhuizen en sousterrains, dat hij Herre tot twee keer toe in één maand geld moest vragen, en de politie hem met meer achterdocht en grimmig respect groette dan de meeste belhamels. Overigens verspeelde Rudmer deze eerbied voorgoed, toen hij op een Maartse nacht in gezelschap van den senator met de monocle uit Mutua naar huis wandelde en een agent aanklampte, die zijn eenzame ronde deed. Terwijl de monoclebezitter met de dubbele naam den politieman naar het Reiddiep vroeg, en de agent zich wijzend omdraaide, waterde Rudmer hem van achteren tegen de geüniformde benen. Hij zat tot de middag van de volgende dag opgesloten in een der cellen van het bureau; en toen hij weer op de kroeg verscheen, ging er een gehuil op, dat in Rudmers oren klonk als elysische muziek, waarvoor hij op dat ogenblik alle glorie der wetenschap had kunnen geven. —• En niemand zong die avond hartgrondiger dan Rudmer Wiarda het bierlied van het Groningse corps:

0 Afutua, o Afutua,

jij bLik<iem<) mooie kroeg,

al zit je er 3e hele nacht —•

je hebt er nooit genoeg!

V

Met Kerstmis was Rudmer thuis geweest. De woudwegen lagen zwaar ingesneeuwd en over de donkere huizen en het klein geboomte hing het zwijgen van de diepe midwinter. Tjalling had hem met de kapwagen van het station gehaald. Hij drukte Rudmers hand met een verlegen blijdschap, en Rudmer werd warm en verward, toen hij de onbeholpen liefde van zijn vader zag. •—• Ze waren naar huis gereden; er vielen nog weinig woorden; Rudmer huiverde half, half was hij verheugd om de ernst en vertrouwdheid van het roerloos landschap, maar er was ook een zwaarte in zijn hart: hij zag tegen de ontmoeting met Reinou en Herre op. Op het erf

Sluiten