Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaamde hij zich opnieuw, toen de arbeider het paard aan de toom vatte, en met de andere hand een kort, onwillekeurig gebaar maakte, alsof hij de pet af wou nemen. Hij zette zich schrap tot een brede kwasi-vermaakte lach:

—• Wat nou, Tymen, je kent mij toch nog wel...? Tymen nam hem van onder tot boven op, en grinnikte: —• Vanzelf... Je ziet er anders zo voornaam uit... ik dacht 'n moment, dat je heit met 'n heerschap uit de stad thuis kwam—• Tjalling lachte nu ook vrijer:

•—• Nou, hij komt toch uit de stad...?

Rudmer liep naar binnen. Zijn moeder kwam hem in het zijgangetje al tegen. Zij kusten elkaar niet, maar ze hield zijn hand lang vast. Ze leek kleiner en gebukter en haar glimlach kwam als van verre afstand. In Herre's handdruk was meer van de oude nabijheid.

Hij had zich, de eerste dag al, in de voorkamer ingericht, waar hij ook als gymnasiast zijn schoolwerk maakte. Daar zat hij nu, dag aan dag, urenlang en alleen, als de sneeuwstormen op het erf huishielden. In de stallen dorst hij om zijn goede pak niet lang te blijven; de koeien spatten en sloegen hun staarten wervelend door de mestgeul. Maar als hij in zijn afzondering zat te lezen, had hij het vaag gevoel, dat zijn ouders en broer in de keukenkamer op hem wachtten. Hij was na een of twee dagen met hen uitgepraat. Wat moest hij nog vertellen? Hij had vluchtig gesproken van Vitringa; van het ontgroenen en de sociëteit dorst hij niets zeggen. En zij zaten daar, gespannen en nieuwsgierig, om nog meer van hem te weten .— een voelbare afwachting, die hem inwendig machteloos maakte. Onder het eten kwamen de vragen weer: aarzelende, half onderdrukte van Tjalling, opener van Reinou; hij probeerde te schertsen, de oude gesprekstoon te vinden, in de hoop, dat hij rechtstreekser met hen zou kunnen praten; maar tussen hen en hem zweefde de ongeneeslijke vervreemding. En bijna nam hij het zijn moeder kwalijk, dat zij mooier vlees voor hem had gekookt, en dat ze hem een bonte zakdoek over de knieën spreidde, bij wijze van servet, en hem •— als de

Sluiten