Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjalling ging zuchtend zitten:

•—1 Vanzelf niet... we begrijpen het best... maar 'tis jammer, jammer...

Reinou verzette zich nog:

—1 Maar wij zijn toch je ouders, en bij die... heren ben je immers altijd? Je komt hier zo zelden... En we hebben haast nog over niks gepraat —• —•

Maar Herre, die de krant las, gooide de bladen met een ruk van ongeduld op tafel:

•—• Ach kom, Mem moet toch inzien, dat die studenten onder mekaar veel meer plezier hebben... Wat moet de jongen hier nou op die dooie plaats? Koeien en biggen heeft ie al zovaak gezien. En met 'm praten? Hij wordt ons toch veel te geleerd —hij praat liever met dokters en professors en zo...

Hij lachte, en gaf Rudmer een broederlijke klap op de schouder:

•— Vooruit geleerde heer, ruk maar in... En stuur me een ansicht 1

Tjalling en Reinou zwegen.

VI

Op Eerste Paasdag gingen Rudmer en Vitringa per trein naar Delfzijl, staken over naar Emden en namen de boot vandaar tot Norderney. Rudmer, in een nieuw aangemeten lichtgestippeld pak, met slappe vilten hoed, zag er uitdagend lichtzinnig uit naast Vitringa in zijn oude plunje en flambard ; maar de zilvergroene vonking van de zee, het aangename zingen van de machines en de luwe voorjaarsbries stemden hem ruim en vergevensgezind jegens den patroon; ze stonden uren aan de reeling en keken naar de waaier van meeuwen, die boven de lichting van gorgelend zog mee trok, en strooiden brood opwaarts voor de vogels in de vlucht. Des middags waren ze moe en slaperig van het wiegend en waaiend uitzicht; en toen ze des avonds aankwamen, hadden ze vrijwel geen oog meer voor het zalmrood gloeien van de hemel en de zee, die met spetterend wit vuurwerk lichtte. —1 Ze liepen

Sluiten