Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dagboekje verantwoordde uitvoerig de nieuwe verzekerdheid. Het scheen zelfs, of Amsterdam, de stad, met hetzelfde warme en luwe licht was doortogen, dat in hem zo zachtmoedig brandde. De herfst spon zich over de grachten; en Rudmer liep er, vele middagen, langs de schaduwgeruite keien, die vol dwarrelbladen lagen, onder de tengere schaduw van de bomen. Het zwijgen was blauw en zonnig; en het verre denderen van een sleperskar over het stenen gewelf van een brug hinderde nauwelijks. De geveltoppen en hun bleke speksteen stonden volgezogen met innig licht; op het koperbeslag der deuren, het iriserend groen en paars der oude ruiten werd het licht breekbaar en doorzichtig; een ingehouden ademen, op de grens van de werkelijkheid. Rudmer liep van brug naar brug, heel de oude stad door, uren aaneen, zonder vermoeienis; het hoofd in een gulden nevel, die wichteloos en helder bedwelmend was: zijn zekerheid, dat alle dingen een zin hadden, een laatste vrede. Uit de boomkronen maakten zich de bronzen en karmozijnen bladeren met haast onhoorbare breuk los, het ritselde langs zijn voeten. Alle dingen rustten in evenwichtige balans. Hij keerde bij de omgeving van de Dam terug; daar begonnen de lijnen der paardetram —1 men vertelde al, dat ze verdwijnen zou, en dat er een electrische zou komen .—• en Rudmer hield niet van het aanhoudend waarschuwend gebel. Hij vermeed ook de havens, waar de rook blakerend en doorroet over het water sloeg; er lagen grauwe geduldige stomers; stinkende sleepboten koersten fel en ononderbroken in de vijandige golfslagen, die elkaar van alle zijden kruisten. De werven dreunden van harde en kille hamerslagen; er liep werkvolk, mannen en jongens, berookt, geolied en gehaast, die des avonds in de kroegen van de haven neerstreken. Rudmer had ze daar gezien onder vuile gaskronen en bij het goedkoop geglimmer van flessen en karaffen op een zinken toonbank. Hij hield niet van hun taal, hun onvervaardheid, hun lucht en hun dorst. Natuurlijk, het waren mensen, het waren zijn evennaasten; en het was goed, dat er in het bestuur der gemeente liberale mannen zaten als Treub en Gerritsen, bij wie de volks-

Sluiten