Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren, in het begroeten, zelfs in het binnenslenteren van een koffiehuis, in zijn houding jegens anderen, dat Rudmer hem diep benijdde, en tevens in hem bewonderde: een sinds eeuwen geformeerd klassebewustzijn, waartegen zijn valse boerenschaamte niet bestand was, en dat hem tot een gewillig slippendrager van den Haarlemsen aristocraat maakte. Egmont had een welwillende en nooit kwetsende manier, om van Rudmer te profiteren; hij was het ook, die Rudmer de bijnaam „professor" gaf, toen Rudmer eens in een gesprek van vier of vijf studenten over de gnostieken een hele avond lang over Valentinianen, Karpokraten, Ophieten en Marconieten doceerde. Rudmer zou die naam uit een andere mond met een snauw hebben afgewezen; van Egmont d'Aby nam hij hem glimlachend aan. — En het leek wel, of het Egmont was, die doorlopend de gunsten uitdeelde, als hij de kennis en raadslagen van Rudmer met hoffelijke lichtvaardigheid te hulp kwam roepen.

Tegen de winter waren ze volop bevriend. Ze gingen samen naar ,,Giroflé-Girofla" in Frascati, en het Wagnerconcert in de Stadsschouwburg; en in het begin van de Decembermaand bracht Egmont Rudmer naar het huis van oom Juliën den notaris, dat door een leerling van Cuypers zelf in de museumbuurt ontworpen was, aan het grote plein, dat langzamerhand door rijke Amsterdammers volgebouwd werd. Het was de eerste maal, dat Rudmer Wiarda van de Zomerweg kennis maakte met de hollandse stadsaristocratie; de eerste keer ook, dat hij, niet in een collectiezaal, maar aan de wanden van een woonhuis, een echte Teniers en een Breughel zag en terracottabeeldjes uit Italië in zijn hand mocht nemen, die hem aan zijn gymnasiumjaren herinnerden — het beeld van een bewogen klas, en een geduldige leraar in oude geschiedenis •—en met onbedorven ogen de zonderlinge schoonheid van een kleine vitrine vol jade onderging. Hier was het, dat hij mensen in een dagelijks gesprek familjaar over personen en dingen hoorde spreken, die voor hem slechts ver waren geweest, ■—■ namen uit een krant —1 en waarvoor hij de onbewuste eerbied had van al, waaraan men schijnbaar nooit deel zal hebben.

Sluiten