Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stand van de compagnie's boeren breken zou. Hij keek door de lage brede ruiten van de tram uit naar de ondergaande dag achter het dik bepoederd loof van de iepen langs de weg, die hoge fijne schimmen werden tegen de oranje hemel; en het suizen van de heesters tegen het glas, waar het spoor nauw langs de bossige berm liep, begeleidde vertrouwelijk zijn gedachten, als in de jeugd. •—

Toen Herre op een Zaterdagavond in Augustus voor de kleine keukenspiegel stond en zich schoor — hij verfoeide op de laatste dag der week de babbelzieke en stinkende kamer van den dorpsbarbier, en naar de stad trok hij op deze dag nooit —1 kwam Antje, donker en stemmig en mager, achter hem gegleden met een geheimzinnige onverhoedsheid, dat hij er van schrok.

•—• Jezus mens, zei hij, en het scheermes trilde in zijn vingers.

Antje keek schuldbewust en ontweek zijn woedende blik.

—• D'r komen „praters" morgen, begon ze weifelig, en spoelde onderwijl het water, waarin hij zich verschoond had, weg.

— Praters? Hier?

•— Mijn ouders.

Herre's ogen verdonkerden boven de witte rand van zeepschuim, die de helft van zijn gezicht bedekte.

•—1 Wat bizonders?

•—• Tja. 't Gaat over 't fabriek.

•— 't Fabriek? 't Fabriek? Maar zij weten toch niks —?

Ze stond met de lange schonkige rug naar hem toe, over het lekkende zinken aanrecht.

—• Ik dacht deze week: kom, 't is zulk mooi weer, ik neem de fiets...

■— En je ging naar Oostermeer?

— Ja...

— Om alles uit te kwebbelen?

•—• Neel

Haar stem kreeg een zweem van schrille angst; het was, of een kind wilde gaan huilen.

Sluiten