Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Herre, ik heb 't al lang vermoed... Maar nou weet ik liet zeker... D'r komt hier een derde bij. •—■

Herre Wiarda bleef stil, zeer stil liggen. Zijn hand om de harde vierkante schouder van Antje trok alleen even onrustig.

— Zo —■, zei hij, langzaam, en het drong tot hem door, dat hij niet verheugd was.

Ze schoof onverwacht dichter. Het was, of ze alleen in deze nachten zijn menselijkheid en vriendschap zocht, of ze zelf menselijker werd. Haar handen gleden langs zijn bovenlijf.

■— In Mei, denk ik, komt het. —

„Het".

Herre Wiarda verschoof zich. Hij was half vol verzet, half getroffen door de wonderlijkheid van het feit. Een kind. De zachte aandrang van Antje, het hunkeren naar een blijk van zijn ontroering, bleef. Hij sloot zijn arm werktuigelijk vaster om haar heen, begon haar lange, naakte arm te strelen; ze lag met het hoofd tegen het zijne. Minuten verstreken; toen begon haar losgesprongen haar langs zijn neus te kriewelen, en hij wendde het hoofd af, terwijl hij haar traag en zinneloos verder streelde. — Een kind. Industrie. Later. Een zoon. Liefde. De gedachten in Herre's brein vervaagden. Totdat hij niet meer antwoordde op haar bange, verwachtende vraag:

•— Ben je... d'r blij om?

Hij was in slaap gevallen.

IV

De hele zomer had Herre lopen nadenken over een naam voor zijn fabriek. De Hoop. De Faam. De Voorspoed. Nieuw Leven. De fabriek móest een naam hebben. Hij schreef aan Rudmer, of deze hem helpen kon. En Rudmer schreef hem terug, dat hij de fabriek maar „Frigga" moest noemen; dat was bij de oude Friezen de godin van de akkerbouw en de welvaart en de bescherming van de veestapel geweest. Herre vond 't in het begin een vreemdsoortige naam; maar toen hij ze een week of wat in zichzelf had lopen noemen, werd het

Sluiten