Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man stond met het mes — en over den doden boer, die aan de balk van de schuur had gehangen. Een wonderlijk leven, denkt hij zelf; een leven, zoals weinigen hier het kennen. Hij stokte in zijn wreed verhaal, verbijsterd zelf door al het ervarene; zijn herinnering wil niet verder. Want nu moet hij vertellen van de dood van zijn moeder, en de dood van Welmoed Volbeda. En korte tijd ontwaakt hij weer in de kamer aan de Zomerweg; eensklaps ziet hij zijn zoon tegenover zich: een man, krachtig en zelfstandig, een Wiarda. Tussen hem en die man liggen dertig jaren. Dertig jaren met Reinou Herres de Jager, dertig jaar van een ingetogen huwelijk, van welstand en opgang. Maar die jaren... wat en waar zijn ze, bij alles, wat nu weer zo tastbaar na wordt? Tjalling ziet het hoge grijze huis aan zee, hij ziet de rietkragen wuiven en de onmetelijke vlakte met de torens wegwazen; hij herinnert zich de mond van een andere vrouw —- een slanke, zwarte? •—• nee, zij is blond en groot, het is het meisje van de harddraverij. — Hij buigt het hoofd, en zwijgt. Herre neemt hem diepverwonderd op, en zelfs Reinou's breinaalden dralen tussen haar voortvarende vingers.

Die Januari-avond spreekt Tjalling Wiarda niet verder. Hij staat op, hij schiet in zijn leren muilen en stommelt door het gangetje naar de stal. Daar staat hij stil, diep ademend, in het weifellicht van de met olie en mest bespatte lantaarn. Het zuchten van de koeien stijgt in wolken tegen de lage zoldering. Maar Tjalling denkt aan een zomernacht, lang geleden; hij klemt zich vast aan de steunbeer in de muur; en weer is het, of hij bezeten paarden hoort draven en draven door de nacht, tot zijn hele lijf ervan trilt — •—• —

Herre kwam terug, die lange doorregende nawinter, getrokken door een machtige weethonger naar het verleden van zijn geslacht, dat hij nu pas begrijpen kon. Hij wist het zelf niet: maar het was het onbewust mijmeren over zijn zoon en diens toekomst, wat hem dreef naar de namen en lotgevallen van het verzonken voorgeslacht; de schakel in de keten... Hij

Sluiten