Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

De Mei kwam laat, door vissigwitte regenweken en zachte nachten vol natte aardse geur. Antje Adzers droeg haar zwangere lijf als een schaamachtige last; sinds de dagen van Maart en April had ze zich bijna niet meer buiten vertoond. En Herre Wiarda zag, hoe zij veranderd was en nog bleef veranderen; bij haar stugge hoekige schroom voegde zich de vreesachtige ongewendheid jegens de komende gebeurtenis. Zij werd zwijgzamer en nukkiger; en hij schuwde het bijwijlen, naar haar te zien, gezwollen als zij werd, onvrouwelijk trots alle tekenen van het naderend moederschap. Hij was niet onvriendelijk tegen haar —- de vriendelijkheid van het welgeschapene, onbelemmerde leven tegenover het lelijke en bezwaarde, met een druk van schuldbewustheid en een vage wrevel, die hij terugdrong...

Herre ^Viarda had nog andere zorgen. Als een hond om de gloeiende brij draalde hij tegen het feit, dat hij zijn ouders moest vertellen, naar wien hij zijn zoon wilde noemen. Telkens nam hij zich voor, naar de Zomerweg te gaan en de bittere punt van het waagstuk af te bijten. En telkens vond hij weer de uitvlucht van zakenbrieven, van dringende bezoeken of vermoeidheid, die hem van het voornemen afhielden. Maar toen de dag van de bevalling naderde, werd het voornemen langzaamaan noodwendigheid. Hij kon Tjalling en Reinou niet op het ogenblik van de geboorte met het nieuws verrassen, dat voor hen een schaduw op de trots moest zijn.

Op een middag van schrale zonneschijn, die over het vaalgroene land een nog bedrieglijk en rillend voorjaarswaas ademde, betrad hij het voorhuis van de stelp aan de Zomerweg, waar hij geboren was. Het was een middaguur, waarop zijn ouders zeker beide in huis zouden zijn: onder het theedrinken.

Om de naakte tafel met het ingelegde zeildoek van het lage lichte voorhuis vond hij zijn ouders en den arbeider, zoals hij verwacht had; maar er zat een vierde bij hen, een nieuweling,

Sluiten